“Dames en Heren, mijn gast van vanavond in Dor Hout was een vooraanstaand feminist.”
“Is een vooraanstaand feminist.”
“Ach ja, je hebt helemaal gelijk.”
“Een feminist tot in de kist.”

“Daar had ze de zaal meteen mee,” zei een vriend die in de zaal zat. Een half uur eerder had ik Hedy d’Ancona bij een prachtig huis aan een Amsterdamse gracht opgehaald, nerveus als een schuchtere jongen bij zijn eerste afspraakje. Gelukkig liepen we al snel gezellig kletsend naar het Torpedo Theater waar ik haar zou interviewen voor Dor Hout. Dat was tijdens corona een geuzennaam voor ouderen. Toch blijft het ongemakkelijk om mensen voor een avond onder die titel uit te nodigen.
Hedy d’Ancona schreef de boeken Vrolijk Verval en Kouwe Kermis over ouderdom en kwam daar graag over vertellen. Of ze ambitie had om 100 te worden? “Nou het woord ambitie zou ik daarvoor niet kiezen, maar vooralsnog doet alles het nog redelijk, dus waarom niet.”
Ter illustratie leest ze een deel van een liedje Vleselijk Woning van Hans Dorrestijn voor, waarin het ouder wordende menselijk lichaam wordt vergeleken met een slecht onderhouden huis.
Met de vraag: “Weten jullie nog hoe Adéle Bloemendaal dit zo mooi zong mensen?” betrekt ze de zaal. “Voordat je eigen woning onbewoonbaar verklaard wordt, moet je vooral genieten van alles wat het bewonen van je pandje zo prettig maakt.” Ze speelt piano, (maar het mag geen naam hebben hoor!) doet aan yoga, demonstreert nog regelmatig voor de goede zaak en werkt aan allerlei projecten in de buurt mee.
Ze is woedend over hoe vluchtelingen in Nederland op dit moment behandeld worden en ook over de situatie in het Midden-Oosten is ze niet te spreken. Als ik haar vraag of ze tevreden is met de vooruitgang van de emancipatie, antwoordt ze dat we er nog niet zijn, maar “is het niet fantastisch mensen dat Amsterdam, Rotterdam en Utrecht, vrouwelijke burgemeesters hebben? En hoe goed doen ze het wel niet!”
Het viel me op in haar boeken dat ze best wel veel tijd besteedt aan haar toenmalige collega minister Ien Dales. “Klopt het dat jullie aan het einde van elke werkdag even een jenevertje dronken om de dag en al die rare mannen door te nemen?”
“Een jenevertje maar?”
“Het kon Ien Dales allemaal niet zoveel schelen wat mensen over haar dachten. Ze had een ouderwetse handtas en op een ochtend zag ik haar met die tas in het wilde weg zwaaien naar journalisten. Ik vroeg haar waarom ze dit deed en ze antwoordde dat ze even geen zin had in die mannen. Ze kwam er mee weg!”
Eerder op de avond had ze ons al verteld dat tijdens haar studie als bijbaantje werkte in het studentencabaret. “Daar heb ik later als politica veel profijt van gehad, omdat ik daar heel goed heb geleerd hoe je een zaaltje op je hand kunt krijgen.”
De titel Dor Hout voor deze avond wordt met de minuut steeds minder toepasselijk.
Na afloop vroeg ik Hedy of we de interviewserie voortaan Vrolijk Verval mochten noemen. Ze glimlachte. “Uitstekend idee.” Daarna liepen we terug naar haar huis aan de gracht.



